Stel: je betaalt jezelf via je vennootschap een loon van €24.000 cash, plus een bedrijfswagen, gratis woning, verwarming en smartphone. Klinkt als een slim loonpakket. Maar als die voordelen in natura meer dan 20% van je totale bezoldiging bedragen, verliest je vennootschap het gunstige tarief van 20% vennootschapsbelasting. En dat kost je al snel €5.000 extra belastingen per jaar.

Goed nieuws: dit probleem is vaak eenvoudig op te lossen — als je het op tijd ontdekt. We leggen helder uit wat er verandert, voor wie het geldt en wat je vandaag al kunt doen.


Wat zijn voordelen van alle aard?

Als bedrijfsleider kan u zich via uw vennootschap niet alleen een loon in geld toekennen. De vennootschap kan u ook bepaalde voordelen geven die een privéwaarde hebben, zoals een wagen, woning of ICT-materiaal. Dat zijn voordelen van alle aard.

Zulke voordelen zijn in principe belastbaar als beroepsinkomen. Soms gebeurt die waardering op basis van de werkelijke waarde, maar voor een aantal vaak voorkomende voordelen geldt een forfaitaire fiscale waardering.

De meest voorkomende voorbeelden zijn:

  • een bedrijfswagen voor privégebruik: het belastbaar voordeel wordt forfaitair berekend op basis van o.a. de cataloguswaarde, de CO₂-uitstoot en de ouderdom van de wagen;
  • een woning die door de vennootschap ter beschikking wordt gesteld: ook daarvoor geldt een forfaitaire waardering, berekend op basis van het kadastraal inkomen;
  • verwarming en elektriciteit betaald door de vennootschap: daarvoor bestaat enkel een forfaitaire waardering als de vennootschap ook de woning ter beschikking stelt; anders geldt de werkelijke waarde;
  • pc, laptop, smartphone, internet of telefoonabonnement die u ook privé mag gebruiken: ook daarvoor bestaan afzonderlijke forfaitaire waarderingen;
  • een goedkope of renteloze lening van de vennootschap: het belastbaar voordeel is dan het verschil met de toepasselijke referentierente;
  • aandelenopties: die kunnen belast worden volgens bijzondere forfaitaire regels (wet van 26 maart 1999).

Die voordelen worden in principe opgenomen op uw fiche 281.20 en maken deel uit van uw belastbare bezoldiging als bedrijfsleider.

Ze zijn dus al mee opgenomen in je belastbaar inkomen. Maar er is nu een extra test bijgekomen die bepaalt hoe je mix van cash loon en voordelen fiscaal mag worden samengesteld.


De nieuwe 20%-grens: wanneer is het een probleem?

Vanaf aanslagjaar 2027 geldt een nieuwe voorwaarde om het verlaagd vennootschapsbelastingtarief van 20% te behouden. De regel is simpel:

Alsforfaitaire voordelen van alle aard+forfaitaire aandelenoptiestotale belastbare bezoldiging>20%\frac{\text{forfaitaire voordelen van alle aard} + \text{forfaitaire aandelenopties}}{\text{totale belastbare bezoldiging}} > 20\%

dan is aan de nieuwe voorwaarde voor het verlaagd tarief niet voldaan.

Zodra de verhouding boven 20% uitkomt, spreekt de wet van “bovenmatige voordelen” — en volgen er fiscale gevolgen.

Deze berekening gebeurt per categorie: bedrijfsleiders (fiche 281.20) en werknemers (fiche 281.10) worden apart bekeken. Een overschot bij de ene groep kan je niet compenseren met een tekort bij de andere.


Wat telt mee in de berekening?

Niet alles telt zomaar mee. De wet maakt een duidelijk onderscheid tussen wat in de teller (= de voordelen) en wat in de noemer (= de bezoldiging) terechtkomt.

In de teller: de forfaitaire voordelen

Enkel forfaitair gewaardeerde voordelen tellen mee — dat zijn de voordelen waarvoor de fiscus een vaste formule heeft vastgelegd (bedrijfswagen, woning, verwarming, elektriciteit, gsm/pc/internet, forfaitaire aandelenopties). Eigen bijdragen die jij zelf betaalt of afkopen via rekening-courant tellen niet mee.

In de noemer: de volledige belastbare bezoldiging

De noemer is je totale belastbare bezoldiging op de fiche: cash loon + alle forfaitaire voordelen + persoonlijke RSZ-bijdragen als zelfstandige + VAPZ-bijdragen betaald door de vennootschap. Vrijgestelde sociale voordelen (art. 38 WIB 92) tellen nergens mee.

⚠️ Uitzondering: niet-forfaitaire voordelen

Ontdekt een fiscale controle een privéuitgave en belast die als een voordeel? Dat is geen forfaitair voordeel. Het telt niet mee in de teller én ook niet in de noemer — en heeft dus geen invloed op de 20%-berekening.


Gevolgen voor de vennootschap: verlies van het verlaagd tarief

Kleine vennootschappen betalen slechts 20% vennootschapsbelasting op de eerste €100.000 winst (indien bepaalde voorwaarden vervuld zijn). Gaan de forfaitaire voordelen boven 20% van de bezoldiging? Dan betaalt de vennootschap op de volledige winst 25%.

✅ Verlaagd tarief

20% op de eerste €100.000 winst
= maximaal €20.000 belasting

❌ Na verlies van verlaagd tarief

25% op de volledige winst
= bij €100.000 winst: €5.000 extra belasting

💡 Belangrijk: geen effect op DBI-aftrek en RV-verrekening

De 20%-VAA-regel heeft uitsluitend invloed op het verlaagd tarief. Ze heeft geen invloed op de verrekening van roerende voorheffing of de DBI-aftrek bij dividenden van beleggingsfondsen (DBI-bevek). Dat wordt geregeld door een afzonderlijke bezoldigingsregel (art. 215, 3°, 4° WIB 1992) — twee volledig onafhankelijke criteria.


Gevolgen voor werknemers: bijzondere heffing van 7,5%

Voor werknemers (fiche 281.10) geldt een andere sanctie: de vennootschap betaalt een bijzondere heffing van 7,5% op het bovenmatige deel. Die heffing is niet aftrekbaar en wordt opgenomen in de verworpen uitgaven van de aangifte vennootschapsbelasting. In de personenbelasting wordt het bovenmatige deel ook afzonderlijk belast aan 7,5%.


Ben je starter? Dan ben je niet automatisch vrijgesteld

Veel startende bedrijfsleiders weten dat ze in de eerste vier boekjaren na oprichting automatisch voldoen aan de minimumbezoldigingsregel. Dat klopt — maar enkel voor de bezoldigingsregel (art. 215, 3°, 4° WIB 1992).

De nieuwe 20%-VAA-regel is een aparte uitsluitingsgrond (art. 215, 3°, 5° WIB 1992) en geldt ook voor starters, zelfs in jaar 1. Heb je als starter veel voordelen in natura en weinig cash loon? Dan kan je vennootschap alsnog het verlaagd tarief verliezen.

📌 De twee criteria staan volledig los van elkaar

Bezoldigingsregel (4°): starters zijn vrijgesteld – geen minimumbezoldiging nodig de eerste 4 boekjaren.

VAA-grens 20% (5°) – NIEUW: starters zijn niet vrijgesteld. Als je forfaitaire VAA meer dan 20% van je bezoldiging bedragen, verlies je het verlaagd tarief – ook in jaar 1.


Praktijkvoorbeeld: kleine managementvennootschap

Concreet: hoe ziet dit eruit voor een typische kleine managementvennootschap?

🧮 Voorbeeld — AJ 2027

Kleine BV · 1 bedrijfsleider · geen werknemers · loonpakket via fiche 281.20:

Door het cash loon te verhogen naar bv. €60.000, daalt de verhouding onder de 20%-grens en behoudt de vennootschap haar gunstig tarief. Jouw accountant zoekt samen met jou de meest voordelige samenstelling.


Wat kan je vandaag al doen?

De 20%-test is beheersbaar als je hem op tijd maakt. Je hoeft je loonpakket niet volledig om te gooien, maar je moet het wél bewust samenstellen.


Samenvatting

  • Forfaitaire VAA mogen maximaal 20% bedragen van je totale belastbare bezoldiging als bedrijfsleider
  • Ga je over die grens? Dan betaalt je vennootschap 25% in plaats van 20% — tot €5.000 extra bij een winst van €100.000
  • De berekening is per categorie: bedrijfsleiders en werknemers worden apart beoordeeld, geen compensatie mogelijk
  • Als starter ben je beschermd voor de bezoldigingsregel, maar niet voor de nieuwe 20%-VAA-test
  • Geen invloed op DBI-aftrek of RV-verrekening — dat is een volledig aparte voorwaarde
  • Geldt vanaf aanslagjaar 2027 — je hebt nog tijd om bij te sturen