Terug naar het overzicht

Het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaar

De wet van 4 mei 2007 betreffende het nieuw fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaar zorgt eindelijk voor fiscale gelijkheid tussen Belgische en buitenlandse sportbeoefenaars die in ons land actief zijn (Pro memorie: sportbeoefenaars niet-inwoners werden belast aan 18% bevrijdende bedrijfsvoorheffing; en de Belgische sportbeoefenaars werden belast aan de marginale tarieven in de inkomstenbelasting, + circulaire die mogelijkheid gaf om statuut ‘niet-inwoner’ te geven aan buitenlanders die in ons land actief waren).

De vrijstelling van 80% van de bedrijfsvoorheffing (die moet geïnvesteerd worden in de opleiding van jongeren) betekent een grote troef voor de sportclubs.

Een groot nadeel van de regeling omtrent de vrijstelling van 80% van de bedrijfsvoorheffing vind ik toch wel de gebrekkige controlemogelijkheden. De stukken die bewijzen dat men voldoet aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de vrijstelling van 80% moet men ter beschikking houden van de administratie. Mijn vrees is dat de clubs de 80% vrijstelling zullen claimen, en niet altijd zullen voldoen aan de voorwaarden. Gevolg: nadien volgt er een fiscale navordering + nalatigheidsinteresten. Dit kan de financiële situatie van clubs dan in het gedrang brengen. Temeer omdat veel clubs ondersteund worden door vrijwilligers en die niet altijd de fiscale verplichtingen kennen.

De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten in het bezit zijn van een ‘verklaring waarin de sportbeoefenaar, scheidsrechter, enz. attesteert al dan niet te voldoen aan de voorwaarde voor de afzonderlijke taxatie’ (nieuw artikel 93, §3 KB/WIB 1992).

Welke zijn de huidige belastingtarieven waaraan sporters nu worden onderworpen?

Sinds de nieuwe wet wet van 4 mei 2007 zijn er drie categorieën met name de oude sportbeoefenaars, de jonge sportboefenaars en de sportbeoefenaars niet-inwoners.

·         Een eerste systeem zijn de ‘oude’ sportbeoefenaars. Het gaat met name over de beroepsinkomsten die betaald of toegekend worden aan :

1) sportbeoefenaars, uit hoofde van hun sportieve activiteiten en voor zover zij op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 26 jaar bereikt hebben;

2) scheidsrechters, uit hoofde van hun sportieve activiteiten als scheidsrechter tijdens sportwedstrijden;

3) opleiders, trainers en begeleiders, uit hoofde van hun opleidende, omkaderende of ondersteunende activiteit ten behoeve van de sportbeoefenaars.

De voorwaarde die vooropgesteld wordt in de nieuwe wet is evenwel dat zij beroepsinkomsten verkrijgen uit een activiteit waarvan het totaal bruto belastbaar bedrag meer bedraagt dan het totaal bruto belastbaar bedrag van de beroepsinkomsten die zij behalen uit hun voornoemde activiteit als sportbeoefenaar, scheidsrechter, opleider, trainer of begeleider.

Voor deze categorie van personen voert de wet een tarief van 33 % in (art. 171, 1° WIB 1992) via een afzonderlijke aanslag.

·         Een tweede categorie zijn de ‘jonge’ sportbeoefenaars. Jonge sportbeoefenaars, voor zover zij de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt doch jonger zijn dan 26 jaar op 1 januari van het aanslagjaar, zullen beroep kunnen doen op een tarief van 16,5 % beperkt tot een eerste schijf belastbaar inkomen tot 12.300 EUR. Voor het AJ 2009 is dit bedrag 16.300 EUR. Boven dat bedrag volgt het inkomen de gewone progressieve tarieven. Dit volgt uit de toevoeging aan art. 171, 4°, j van het WIB 1992.

Op de vergoedingen van ‘jonge’ sportbeoefenaars zullen de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing 20 % van de bedrijfsvoorheffing die ze inhouden, moeten doorstorten aan de belastingdienst. De resterende 80% wordt vrijgesteld.

·         Als laatste is er de sportbeoefenaar ‘niet-inwoner’. Met ingang van 1 januari 2008 is het voordeeltarief van 18 % nog enkel mogelijk voor de sportbeoefenaar niet-inwoner die hier inkomsten behaalt over een periode van 30 dagen of minder en dit berekend per schuldenaar van dat inkomen. Enkel dus nog voor korte sportmanifestaties.

Artikel 248 WIB 1992 werd in die zin gewijzigd teneinde duidelijk te bevestigen dat de niet-inwonende sportbeoefenaars die in België inkomsten verkrijgen tijdens het belastbaar tijdperk gedurende een periode van maximum 30 dagen per schuldenaar van de inkomsten, de afzonderlijke aanslag blijven genieten via de inhouding van een bevrijdende bedrijfsvoorheffing vastgesteld op een tarief van 18% van hun bruto-inkomsten.

De belastingtoestand van de niet-inwonende sportbeoefenaar die in België tijdens het belastbaar tijdperk inkomsten als sportbeoefenaar verkrijgen als bedoeld in artikel 228, §2, 8° WIB 1992, en dit gedurende een periode van meer dan 30 dagen berekend per schuldenaar van de inkomsten, zal voortaan worden geregulariseerd. Er zal bijgevolg een globale aanslag op hun inkomsten worden gevestigd.

Hierdoor worden de sportbeoefenaars die gedurende een tamelijk lange periode aan sportwedstrijden deelnemen, op gelijke voet, of het nu Belgische inwoners of niet-inwoners zijn.

Hoe is de regeling voor stewards bij voetbalwedstrijden?

In een circulaire van 12 augustus 1996 (Ci. RH. 241/463.482) werd een vrijstelling van 25 EUR per wedstrijd geregeld. De stewards, die door de voetbalclubs van de eerste nationale afdeling dienen ingezet te worden ter bestrijding van het voetbalgeweld (“Hooliganisme”) en ter verhoging van de veiligheid in de stadions kunnen hun vergoeding belastingvrij ontvangen als een terugbetaling van kosten “eigen aan de werkgever”. Men dient wel te onthouden dat deze regeling slechts kan ingeroepen worden voor een vergoeding van maximaal 25 EUR per wedstrijd. Ontvangt de steward dus een bedrag hoger dan 25 EUR dan moet het excedent in hoofde van de steward beschouwd worden als een bezoldiging én moet dit dan ook op de loonfiches worden vermeld.

De circulaire vermeld verder nog dat de regeling geldig is voor de stewards die optreden bij: de wedstrijden van het kampioenschap van België, de wedstrijden van de Beker van België, de wedstrijden van de Europabeker, de vriendenmatchen die gespeeld worden ter voorbereiding van een belangrijke ontmoeting binnen het kader van deze competities en de wedstrijden van de Belgische nationale ploeg.

Kan een voetballer genieten van een groepsverzekering en wat is de regeling hieromtrent?

Dit is iets heel specifiek. Het betreft het taxatieregime van pensioenen, meer bepaald het belastingstelsel van de groepsverzekering van de professionele voetbalspelers.

Artikel 145/3 W.I.B. 1992 is van toepassing op alle belastingplichtigen, alsook op de sportbeoefenaar. Dit artikel regelt de persoonlijke bijdragen die gestort worden in het kader van een groepsverzekeringsreglement. De individuele premies worden afgehouden van de door de werknemer verdiende inkomsten en geven aanleiding tot de voorziene belastingvermindering. Als de sportbeoefenaar de uitkering van het bedrag vraagt op de datum waarop hij de normale pensioenleeftijd bereikt, of, ten vroegste, in één dan de vijf jaren die deze leeftijd voorafgaan, worden de aldus verkregen kapitalen, overeenkomstig artikel 171,4°, f W.I.B. 1992, afzonderlijk belast tegen de aanslagvoet van 16,5%.

Kapitalen die op een vroeger tijdstip dan de pensioengerechtigde leeftijd worden betaald, worden belast tegen het gewoon progressief tarief van de personenbelasting.

De normale leeftijd van het stopzetten van de beroepswerkzaamheid is die vanaf dewelke een werkzaamheid, gezien de specifieke aard ervan, normaal gezien niet meer zal worden uitgeoefend. Voor beroepsvoetballers werd die leeftijd bepaald op 35 jaar (Circ. van 25 oktober 1985, Nr. Ci.RH.332/367.428, Bull. Bel., nr. 645). De profvoetballers vallen dus in de categorie van werknemers wiens loopbaan vóór 65 jaar eindigt (tot nu toe werden geen dergelijke beslissingen genomen voor andere sporttakken).

Hoe wordt de Belgische sporter die wedstrijden in het buitenland speelt, belast?

Artikel 5 WIB zegt: ‘Rijksinwoners zijn aan de personenbelasting onderworpen op grond van al hun inkomsten, zelfs indien sommige daarvan in het buitenland zijn behaald of verkregen’. Belgen zijn dus belastbaar op hun wereldwijd inkomen!

Omwille hiervan heeft België een groot aantal Dubbelbelastingverdragen afgesloten. Deze belastingverdragen regelen meestal de toewijzingsbevoegdheid, welk land is bevoegd om belasting te heffen. In de meeste van onze DBV is er een artikel 17 opgenomen (cf. OESO-Modelverdrag). Deze wijst meestal de bevoegdheid tot het heffen van belasting toe aan het land waar de sportprestatie wordt geleverd (mits het rekening houden met de uitzonderingen).

In een aantal landen kan er gebruik worden gemaakt van een gelijkaardige regeling van aparte belastingheffing (zoals bij ons voor kortstondige sportprestaties).

Als laatste moet rekening gehouden worden met het belastingregime van Belgische rijksinwoners met buitenlandse inkomsten.
Er is de aftrek van de buitenlandse belasting (Cass., 26 mei 1968). De aftrek van de buitenlandse belasting wordt toegelaten als bedrijfsuitgave, ongeacht of die buitenlandse belasting bij wijze van aanslag of bronheffing is gewezen.
België heeft wel nog een stok achter de deur. Met name
artikel 155 WIB
betreffende de regel van het progressievoorbehoud (Inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar deze wordt verminderd naar de verhouding tussen de inkomsten die zijn vrijgesteld en het geheel van de inkomsten). Men houdt er dus rekening mee om het tarief van de belastingen te bepalen.
Er is nog een
belangrijk artikel, artikel
156 WIB waarbij het deel van de belasting dat evenredig overeenstemt 2° met in het buitenland behaalde en belaste beroepsinkomsten tot de helft wordt verminderd. Dit is van toepassing voor landen waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten. Er moet wel worden bewezen dat de inkomsten in het buitenland effectief werden behaald en belast.

Kan het oprichten van een vennootschap soelaas brengen voor de hoge belastingtarieven voor de sporter?

Het tarief van de vennootschapsbelasting is al interessant. Een sportbeoefenaar die uit fiscale overwegingen zijn activiteiten bundelt en onderbrengt in een vennootschap, heeft vaak als voornaamste motief het tarief van de belasting in de vennootschapsbelasting. Dat ligt nog steeds lager dan in de personenbelasting; de vennootschapsbelasting kent een “vast” tarief (33 % + 3 % aanvullende crisisbelasting = 33,99 %), daar waar de personenbelasting een progressief tarief kent (25 % tot 50 % ). Bovendien kent de vennootschapsbelasting ook een “verlaagd tarief” (progressief opgebouwd in schijven van 24,25 % tot 34,5 % , telkenmale te vermeerderen met aanvullende crisisbelasting van 3 %). Vooral de mogelijkheid dit tarief te genieten, is vaak een van de redenen tot oprichten van een vennootschap.

Een bijkomend voordeel is het uitkeren van dividenden die belast worden aan 25% i.p.v. de progressieve tarieven in de personenbelasting.

Het gebruiken van onroerende goederen is eveneens een voordeel. In de vennootschapsbelasting is het mogelijk een vergoeding uit te keren voor het gebruik van onroerende goederen die toebehoren aan de bestuurder of werkend vennoot (= onroerende inkomsten verwerven d.m.v. verhuur van onroerende goederen aan de vennootschap).

Ook belangrijk is het toekennen van voordelen alle aard. Vooral de voordelen van alle aard die door de vennootschap kunnen worden toegekend, maken de vennootschapsvorm aantrekkelijk. Veelal zijn de werkelijke kosten voor de vennootschap van het voordeel (toegekend aan vennoot, bestuurder,…) hoger dan de fiscale waarde die hiermee overeenstemt. Dit is in elk geval zo voor forfaitair vastgestelde voordelen zoals het terbeschikking stellen van een wagen, een woning, een tuinman, … (cf. art. 18 KB/WIB. 1992).